Eetbaar gebruik
Eetbare delen.
- Bladeren (lente t/m herfst): mild ui-aromatisch, te gebruiken
als bieslook of bosui — vers in salade, omelet, soep of als garnish.
- Bovengrondse bulbillen (late zomer–herfst): klein maar
uitgesproken pittig; ingelegd in azijn, gefermenteerd, gepoft of
als smaakmaker. Smaak lijkt op sjalot met een vleugje knoflook.
- Ondergrondse bolletjes (jaar rond te oogsten): minder
ontwikkeld dan bij de gewone ui maar bruikbaar als sjalotvervanger.
Bijzonder. Doordat de plant niet bloeit maar direct bulbillen
vormt, geeft hij vrijwel het hele groeiseizoen oogstbaar materiaal —
een zeldzame eigenschap onder de eetbare alliums in gematigde
klimaten.
Voedingswaarde
32 kcal/100g
Onions, spring or scallions (includes tops and bulb), raw
Bron: USDA FoodData Central
Teelt
Standplaats. Volle zon tot lichte schaduw. Verdraagt diverse
grondsoorten mits goed doorlatend; voorkeur voor humusrijke,
matig vochtige grond met neutrale tot licht alkalische pH.
Winterhardheid. Zeer winterhard, USDA zone 3–9 (–35 °C). Loopt in
het vroege voorjaar als een van de eerste alliums uit en blijft in
zachte winters groen.
Vermeerdering. Vegetatief via bulbillen (zie 'Vermeerdering') of
door deling van de pol in voorjaar of herfst. Bulbillen direct
na rijping (eind zomer / vroege herfst) planten op ±2–3 cm diepte.
Onderhoud. Vraagt weinig. Voor maximale opbrengst van bovengrondse
bulbillen jaarlijks de pol uitdunnen en oude bloemstengels verwijderen
na oogst. Geen significante ziekte- of plaagdruk.
Medicinaal
Zoals alle keuken-alliums bevat Allium ×proliferum zwavelhoudende
verbindingen (alliïne, allicine bij beschadiging) met traditioneel
toegeschreven werking: antibacterieel, bloeddrukverlagend en
cholesterolregulerend bij regelmatige consumptie. Geen specifieke
klinische studies op deze taxon; toepasselijk zijn de algemene
bevindingen rond ui- en knoflookconsumptie.
Overig gebruik & natuurwaarde
Beperkt: omdat de plant vrijwel geen bloemen vormt is de waarde
voor bestuivers gering. Wel bedekt het stand-gebleven loof in de
winter de bodem en biedt schuilplek voor loopkevers en spinnen.
Vluchtige zwavelolieën in het loof werken als zachte afweer tegen
bladluis en wortelvlieg bij naburige gewassen. Klassiek
permacultuur-companion onder fruitbomen en rond kool om plaaginsecten
te verstoren.
Kenmerken & vermeerdering
Habitus. Overblijvende kruidachtige plant, 60–120 cm hoog tijdens
de bulbil-vorming. Vormt een dichte pol door zijdelingse vorming
van dochterbollen onder de grond.
Bladeren. Holle, cilindrische pijpvormige bladeren tot ±50 cm,
blauwgroen, vergelijkbaar met die van de bosui (A. fistulosum) maar
iets robuuster.
Inflorescentie. Op de bloemstengel verschijnen geen normale
bloemen maar clusters van aerial bulbils (luchtbulbillen),
soms in meerdere etages boven elkaar — vandaar 'etage-ui'. Vorming
van fertiele bloemen en zaad is zeldzaam.
Bollen. Ondergronds vormt de plant kleine, smalle bollen (1–3 cm),
minder uitgesproken dan bij de gewone ui.
Topsettende bulbillen. De inflorescentie bestaat niet uit fertiele bloemen maar uit
vegetatieve aerial bulbils (bulbillen) die zich aan de top van de bloemstengel
ontwikkelen. Naarmate deze rijpen wordt de stengel topzwaar en buigt door tot bij de
bodem, waar de bulbillen wortelen en uitlopen tot zelfstandige planten op enige afstand
van de moederplant. Aan deze vegetatieve verbreiding dankt de soort de Nederlandse naam
wandelende ui.
Vorming van bloemen en zaad is zeldzaam; vermeerdering verloopt vrijwel uitsluitend
via deze aerial bulbils. Daarnaast vormt de moederplant onder de grond zijdelingse
dochterbollen waarmee de pol zich verdicht.
Habitat
Cultivar; in het wild niet aangetroffen. Stamt vermoedelijk uit Centraal-Azië, sinds eeuwen in Europese moestuincultuur.